Verwarmingsleidingen

1. Beveiliging

2. Regels bij ingebruikname


Druktest

Plaatsen van cementdekvloer (chape)

Voegen

  • Randvoegen
  • Uitzetvoegen
  • Bewegingsvoegen
  • Krimpvoegen
     

Opstarten

Vloerbedekking   

  • Houten vloeren
  • Textiel en kunststof
  • Keramische vloeren

1. BEVEILIGING

Een beveiligingsaquastaat die onafhankelijk is van de automatische regeling zal, zelfs als er geen voedingsspanning aanwezig is, de warmtetoevoer naar de verwarmingskringen onderbreken zodra de voedingswatertemperatuur hoger is dan 60 °C bij mortel- of betoncementdekvloer (mortel- of betonchape) of 55 °C bij anhydrietcementdekvloer (anhydrietchape).

Het type beveiliging en de plaats van opstelling zijn afhankelijk van de waterzijdige opstelling van de vloerverwarmingskring.

Voor meer informatie kunt u steeds contact opnemen met de technische dienst van Radson.

2. REGELS BIJ INGEBRUIKNAME

DRUKTEST

Voordat de cementdekvloer (chape) wordt aangebracht moeten de verwarmingskringen op lekkages worden getest. Voor deze test wordt de installatie via de vulkraan op de verdeler gevuld. Voor installaties met meerdere kringen gebeurt het vullen kring per kring, met behulp van de vulkranen en de respectievelijke kringafsluiters. De installatie wordt getest gedurende 24 uur onder een druk van 10 bar. Tijdens deze periode mag het drukverlies de 2 à 3 bar niet overschrijden. Tijdens deze druktest wordt de installatie losgekoppeld van het waterleidingsnetwerk, zodat bij lekkage de installatie geen 24 uur lang kan blijven lekken en eventuele waterschade beperkt blijft.

Bij vorstgevaar dienen de nodige voorzorgsmaatregelen genomen te worden om bevriezing van het water in de buizen te voorkomen, hetzij door toevoeging van een speciaal product hetzij door het vorstvrij houden van het gebouw.

PLAATSEN VAN CEMENTDEKVLOER (CHAPE)

Bekistingen voor kokers, verticale doorgangen, leidingen, lucht- en rookkanalen moeten, samen met de nodige randisolatie, gemonteerd worden voor het aanbrengen van de cementdekvloer (chape). Indien gebruik gemaakt wordt van isolatie is het wapenen van de cementdekvloer (chape) meestal niet nodig, omdat de wapening eventuele barsten in de cementdekvloer (chape) toch niet kan verhinderen. Bij cementdekvloer (chape) en harde bevloering kan de toepassing van een wapeningsnet wel bijdragen tot een betere verdeling van de spanningen en tot het voorkomen van verticale verschuivingen van de vloer in geval van barsten.

In anhydrietcementdekvloer (anhydrietchape) is het wenselijk eventuele wapeningsnetten vooraf te beschermen tegen corrosie. Indien voor anhydrietcementdekvloer (anhydrietchape) geopteerd wordt, neem dan vooraf contact op met de technische dienst van Radson, die u een aangepast toevoegmiddel voor de cementdekvloer (chape) zal aanbevelen. Tijdens het plaatsen van de cementdekvloer (chape) dient de vloerverwarmingsinstallatie onder druk te blijven. De druk moet dan gelijk zijn aan twee maal de normale werkdruk, met een minimum van 6 bar.

Aan het cementdekvloermengsel (chapemengsel) wordt de plastificeerder Estrolith-H, volgens DIN 18560, toegevoegd om de mechanische weerstand en de vloeibaarheid van de cementdekvloer (chape) te verbeteren en een optimaal contact tussen buis en cementdekvloer (chape) te waarborgen. Om na 28 dagen de voorgeschreven drukweerstand van 20 Mpa te bekomen, moeten de gewichtsverhoudingen die op de verpakking vermeld staan zorgvuldig gerespecteerd worden.

Boven de buizen dient de cementdekvloer (chape) een minimum dikte van 5 cm te hebben. Tijdens het aanbrengen van de cementdekvloer (chape) dient de aannemer de nodige voorzorgsmaatregelen te nemen om het risico op overbelasting van de isolatie te voorkomen en op die manier een vermindering van de thermische weerstand te vermijden.

Tijdens het aanbrengen van de cementdekvloer (chape) en gedurende een periode van drie dagen na het aanbrengen mag de ruimtetemperatuur niet lager zijn dan 5 °C. Nadien moet de cementdekvloer (chape) gedurende nogmaals drie dagen beschermd worden tegen uitdroging, om het risico op krimp zoveel mogelijk te beperken. Deze voorwaarden worden in kleinere gebouwen meestal reeds bereikt als ze volledig afgesloten zijn.

VOEGEN

Bij het aanbrengen van de cementdekvloer (chape) dient rekening gehouden te worden met de mogelijke uitzetting van de cementdekvloer (chape) en met de bestaande bewegingsvoegen van het gebouw. Hiervoor worden in de cementdekvloer (chape) de nodige voegen voorzien.

Randvoegen
Randvoegen dienen aangebracht te worden over de gehele omtrek van de ruimte, rond alle verticale bouwwerken en rond alle structuren die zich op de basisbetonplaat bevinden. De randvoegen dienen een aangepaste randisolatie te krijgen van minimum 10 mm dik, die een beweging van minimum 5 mm toelaat. De randisolatie mag slechts afgesneden worden op het niveau van de uiteindelijke vloerbedekking en na het plaatsen van deze vloerbedekking.

Uitzetvoegen
Bij het gebruik van harde vloerbedekkingen moeten uitzetvoegen aangebracht worden. Het vloeroppervlak tussen uitzetvoegen mag maximum 40 m² bedragen, met een maximum lengte van 8 m. Bij rechthoekige oppervlakken tussen uitzetvoegen is de aanbevolen lengte/breedte verhouding kleiner dan 2/1. Het is best uitzetvoegen aan te brengen vertrekkend vanuit verticale en scherpe structuren. Staaldraadmatten moeten op de plaats van de uitzetvoegen onderbroken worden. Leidingen mogen een uitzetvoeg slechts in één richting overschrijden. Op de plaats van de voeg moet de leiding geplaatst worden in een huls met een minimum lengte van 0,3 m. Vooral bij harde vloeren is het belangrijk de uitzetvoegen door te trekken tot op het niveau van de vloerbedekking zelf, en de voeg volledig op te vullen met een elastische specie.

Bewegingsvoegen
Op plaatsen waar de cementdekvloer (chape) wordt aangebracht boven een bewegingsvoeg van het gebouw moet in de cementdekvloer (chape) op dezelfde plaats een uitzetvoeg aangebracht worden.

Krimpvoegen
Krimpvoegen moeten aangebracht worden op plaatsen waar de cementdekvloer (chape) dient te �breken�. De krimpvoegen worden aangebracht met een troffel (truweel) in de natte cementdekvloer (chape). Na het opwarmen wordt de voeg opgevuld met een elastische specie.

OPSTARTEN

Voor het opstarten van de vloerverwarmingsinstallatie moet de dekvloer volledig gehard en gedroogd zijn. Normaal is hiervoor een periode van 21 tot 28 dagen nodig voor normale cementdekvloer (chape). Bij anhydrietcementdekvloer (anhydrietchape) is een periode van minstens 7 dagen vereist.

De instellingen van de verschillende warmtekringen gebeurt aan de hand van de berekende waarden.

De vertrekwatertemperatuur wordt initieel ingesteld op de ruimtetemperatuur van het gebouw en dagelijks opgevoerd in stappen van 5 °C tot de maximum vertrekwatertemperatuur is bereikt waarvoor het systeem werd berekend. Deze temperatuur wordt minstens 4 dagen aangehouden. Daarna wordt de verwarming opnieuw uitgeschakeld om de vloerbedekking aan te brengen. Bij het opstarten van een weersafhankelijk gestuurde installatie is manueel opwarmen met behulp van de ketelaquastaat aanbevolen.

De instelling van de veiligheidsaquastaat kan dan als bijkomende beveiliging dienen. Voor bijkomende technische informatie over het plaatsen van cementdekvloer (chape), het aanbrengen van voegen en het opstarten van vloerverwarmingssystemen verwijzen wij naar de Technische Voorlichtingsnota TV 179 van het WTCB.

VLOERBEDEKKING

Bij de berekening van de specificaties van het vloerverwarmingssysteem dient rekening gehouden te worden met de thermische weerstand van de vloerbedekking. Voordat de vloerder overgaat tot het plaatsen van de vloerbedekking, moet hij nagaan of de toestand van de cementdekvloer (chape) toelaat om de vloerbedekking te plaatsen. Voor het opslaan en plaatsen van de vloerbedekking dient rekening gehouden te worden met de normen en technische voorschriften terzake.

Wij herinneren hier kort aan enkele vuistregels in verband met het verwarmingssysteem.

Houten vloeren
De houten vloer moet gedurende ten minste 7 dagen opgeslagen worden in de verwarmde ruimte waar hij zal geplaatst worden. Dit is alleen van toepassing op houten vloeren met een vochtgehalte van ± 9 % die onmiddellijk na het openen van de verpakking, waarin zij door de fabrikant geleverd worden, moeten geplaatst worden.
Opgelet :Houten vloeren met een wisselend of hoog vochtgehalte (vb. 11 � 12 %) moeten eerst geklimatiseerd worden. Tijdens het plaatsen van de houten vloerbedekking moet het vloerverwarmingssysteem uitgeschakeld worden.

Textiel en kunststof
Het vloerverwarmingssysteem 48 uur vóór het aanbrengen van de filler uitschakelen en pas 48 uur na het aanbrengen van de vloerbedekking terug inschakelen.

Keramische vloeren
De vloerverwarming uitschakelen tijdens het plaatsen van de vloerbedekking en pas 7 dagen na het aanbrengen van de vloerbedekking terug inschakelen.